Naar cookie instellingen Hoofdinhoud Hoofdnavigatie

Omgaan met diversiteit in de gymles: ‘Je moet stralend durven falen’

    9 maart 2021
Home / Omgaan met diversiteit in de gymles

Corina van Doodewaard onderzoekt in haar promotieonderzoek de wijze waarop docenten en studenten omgaan met diversiteit in de gymles én hun opvattingen daarover. Ze wil daarmee bijdragen aan bewegingsonderwijs waarin ieder individueel kind zijn eigen positieve bewegingsidentiteit kan ontdekken. 

Corina van Doodewaard publiceerde onlangs een wetenschappelijk artikel met een opmerkelijke titel: “Het is dan wel een niveau 1-leerling, maar ik hou van iedereen”. De titel geeft het dilemma weer van de docent bewegingsonderwijs: er wordt van je verwacht dat je als gymdocent vanuit je hart les geeft maar tegelijkertijd werk je in een systeem dat selecteert op niveauverschillen en het toetsen van vaardigheden. Waar begint en eindigt de inclusie en waar begint de exclusie? Van Doodewaard vindt het belangrijker dat leerlingen het in de gymlessen naar hun zin hebben en de bewegingsactiviteiten ontdekken die bij hen passen. Het inclusie- en diversiteitsvraagstuk in de gymles is gezien de actuele aandacht voor kansengelijkheid in het onderwijs of de impact van immigratie en de daarmee samenhangende integratievraagstukken maatschappelijk zeer relevant. Omgaan met toenemende diversiteit in de klas vraagt om een professionele houding van elke docent en betrokkenen zijn gebaat bij een helder antwoord op de vraag wat inclusie nu eigenlijk inhoudt. 

De onderzoeker van het lectoraat Bewegen, School en Sport stelt die vraag juist aan docenten en studenten in de gymles omdat kinderen daar op hun kwetsbaarst zijn. Het is volgens haar extra belangrijk dat docenten en studenten oog hebben voor diversiteit en de verschillen in bewegingsbehoeftes- en mogelijkheden die daarmee samenhangen en dat zij leren hoe ze daar mee kunnen omgaan. 

Hoe ziet de ideale les bewegingsonderwijs er voor jou uit?
‘De ideale les heb ik niet voor ogen want die bestaat volgens mij niet. Dat ideale hangt van de groep kinderen en van het moment zelf af, zodat je achteraf wel eens kunt zeggen: ditCorina van Doodewaard was een echt goede les. Een les geef je als docent bewegingsonderwijs niet volgens een vaste methode zoals die beschikbaar is voor bv. wiskunde of biologie. Het is steeds opnieuw een kwestie van ontwerpen tíjdens de les: bewegingsonderwijzers worden niet voor niets wel eens pedagogische knutselaars genoemd. Belangrijk is dat een kind zijn eigen identiteit kan ontdekken en een manier van bewegen ontwikkelt die bij hem past. Dat proces wil je als docent bewegingsonderwijs zo goed mogelijk begeleiden en dat betekent dat je soepel moet kunnen omgaan met alle verschillen die er tussen kinderen zijn: verschillen tussen jongens en meisjes, karakterverschillen, etnische en culturele verschillen, niveauverschillen én de verschillen in bewegingsbehoefte. Dat alles betekent niet dat je kinderen overal hun zin in moet geven. Kwalitatief goed bewegingsonderwijs daagt kinderen ook uit en moet bijdragen aan de vorming van verantwoordelijke volwassenen die op een goede manier met hun eigen vrijheid en die van anderen kunnen omgaan.’         

Hoe ziet jouw onderzoek eruit?   
‘In mijn onderzoek verzamel ik verhalen van docenten in de praktijk en van studenten die met de lerarenopleiding bezig zijn. Ik stel veel vragen en kijk met hen terug naar lessen die ze hebben gegeven. Deze videobeelden gebruik ik als middel om te achterhalen welke overwegingen ze op dat moment maakten. Waarom deed je op dat moment juist dat? En waartoe nam je dat besluit? Al die data bij elkaar leverden mij het inzicht op dat er binnen het bewegingsonderwijs twee visies zichtbaar worden op inclusie en diversiteit. Aan de ene kant de meer technocratische benadering waar de oplossing wordt gezocht in het concreet regelen van dingen: het aanbieden van cursussen, organiseren van activiteiten, differentiëren, noem maar op. Ten tweede de meer activistische, idealistische benadering die uitgaat van een visie op medemenselijkheid. In die visie speelt meer de vraag: Waartoe organiseer ik die inclusie? Dat gaat meer in de richting van een ideologisch uitgangspunt. In mijn onderzoek stel ik vast dat zowel docenten als studenten deze twee visies, de maakbare en de idealistische benadering, door elkaar heen gebruiken. Er is geen eenduidige visie op inclusie en diversiteit en dat heeft vanzelfsprekend invloed op een professionele houding met betrekking tot die begrippen. Dat is de kern van dit onderzoek. Het is eigenlijk een sociologisch onderzoek met een pedagogisch hart.’     

Waarom is aandacht voor diversiteit juist bij bewegingsonderwijs belangrijk? 
‘In de gymles ben je als kind op je kwetsbaarst. Je bént je lichaam en als je met je lichaam iets moet doen wat niet lukt dan blijf je daar last van houden. De verhalen zijn bekend: mensen die tijdens de gymles altijd als laatste werden gekozen of altijd achteraan stonden. Ze blijven daar last van houden, ook als volwassene. De gymles is een kwetsbare omgeving voor kinderen omdat je je niet kunt verschuilen en al het gedrag zichtbaar is en daarom is het goed om accenten te leggen op wat goed gaat in plaats van wat mislukt, zodat kinderen plezier kunnen ontwikkelen in het bewegen. Om dat in goede banen te leiden en goed te begeleiden moet je als docent oog hebben voor de verschillen en die ook omarmen. Uiteindelijk gaat het over de vraag wie kinderen zijn en hoe je daar als docent rekening mee kunt houden. De vraag wie je bent, is veel belangrijker dan de vraag, hoe goed je bent.’

Op welke manier is jouw onderzoek verbonden aan de Calo? 
‘Bewegingsonderwijs waarin de pedagogiek centraal staat is kenmerkend voor de Calo en daar sluit mijn onderzoek mooi op aan. Ik wil graag bijdragen aan het uitgangspunt van onze opleidingen dat je als student telkens opnieuw een goede gymles probeert te maken door op zoek te gaan naar bewegingsuitdagingen die betekenisvol zijn voor leerlingen.  Dat betekent ook dat je jezelf kwetsbaar moet durven opstellen en het ook toegeeft als je er even niet uitkomt. Je moet stralend durven falen. Dat is naar mijn idee de essentie van ontwerpgericht lesgeven. Op de Calo vinden we het belangrijker om samen een goed spel te maken dan om te werken volgens een vast stramien. Observeren en het voeren van de dialoog met kinderen zijn daarbij belangrijk.’

Waar moet jouw onderzoek aan bijdragen?
‘De kritisch-emancipatoire lens waarmee ik in mijn onderzoek kijk naar de werkelijkheid is bedoeld om onzichtbare machtsstructuren en aannames bloot te leggen, zodat we daar ook iets aan kunnen veranderen. Ik hoop dat mijn onderzoek het eenvoudiger maakt om kritisch te reflecteren. Dat je als docent en als student makkelijker elkaar de vraag stelt: Waarom doe je dat eigenlijk zo? Zodat het eenvoudiger wordt om bij elkaar binnen te lopen en te praten over elkaars lessen. We leven in een wereld waarin het liberale gedachtegoed en de gedrevenheid vanuit competitie nog steeds een grote rol speelt. Ik denk dat het beter is dat je kinderen niet leert om elkaars concurrenten te zijn, maar elkaars naasten.’

Lees het artikel van Corina van Doodewaard op researchgate

Corina van Doodewaard is naast onderzoeker van het lectoraat Bewegen, School en Sport ook Hogeschool Hoofddocent van de Master Lichamelijke Opvoeding en Sportpedagogiek en van de Bachelor Lichamelijke Opvoeding.

Delen via:

Vragen over dit nieuwsbericht?

Stel ze aan de Newsroom via newsroom@windesheim.nl

Persvragen?

Stel ze aan Freek Hofland
Woordvoering onderzoek

Laatste nieuws

Wethouder Van Willigen en Lisa Wilderink

Cookie instellingen

Windesheim maakt gebruik van functionele en analytische cookies om het gebruik van de website te optimaliseren. Daarnaast maken we gebruik van cookies voor marketingdoeleinden. Hiermee kunnen we je gedrag volgen op websites. Als je op 'accepteer alle cookies' klikt, geef je hiervoor toestemming. Klik op 'stel je persoonlijke voorkeuren in' om aan te geven welke cookies je accepteert. Lees ons cookiestatement voor meer informatie.


Stel je persoonlijke voorkeuren in