Ondernemerschap als maatschappelijke functie: tijd voor een bredere blik in het onderwijs
Tijdens de jaarlijkse NLPO-dag kwamen onderzoekers, docenten en beleidsmakers samen rond één centrale vraag: hoe versterken we ondernemerschap als motor voor lokale, regionale en landelijke ontwikkeling, zónder het gesprek te beperken tot economische groei en innovatie? Onder het thema ‘Ondernemerschap als hefboom voor maatschappelijke impact en regionale innovatie’ gingen deelnemers met elkaar in gesprek over wat ‘ontwikkeling’ dan wél betekent, en welke rol onderwijs, onderzoek en beleid daarin kunnen spelen.
Dr. Coen Rigtering, hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, trapte de dag af met een keynote over ondernemerschapsonderwijs. Hij nam de zaal mee in de ontwikkeling van het vakgebied en hield daarbij een spiegel voor: het onderwijs is sterk gegroeid, maar blijft vaak leunen op start-ups en venture-creatie. Juist nú vraagt de maatschappij om een bredere benadering van ondernemerschap.
De ontwikkeling van ondernemerschapsonderwijs
Ondernemerschapsonderwijs heeft de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen. Wat begon met losse cursussen in de jaren tachtig, groeide uit tot leerstoelen, minoren, incubators en lectoraten. Toch blijkt uit een inventarisatie dat het aanbod nog sterk gericht is op het starten van een nieuw bedrijf. Leiden we studenten nu wel op voor het type ondernemerschap dat we in de toekomst nodig hebben? Volgens Rigtering zullen studenten steeds vaker werken aan complexe, langlopende en waardengedreven vraagstukken. Denk aan keuzes rond AI en robotisering, klimaatadaptatie en internationale samenwerking met partners die andere waarden hanteren. Zulke vraagstukken zijn grensoverschrijdend en vragen om technologische, organisatorische én institutionele oplossingen.
Volgens hem is ondernemerschap geen activiteit van een kleine groep ‘oprichters’, maar een maatschappelijke functie. Zolang de toekomst fundamenteel onzeker is, hebben we mensen nodig die kunnen handelen, organiseren en richting geven. Binnen, maar zeker ook buiten start-ups.
De maatschappelijke functie van ondernemerschap
Rigtering verwees naar de beginselen van het vakgebied van Baumol, waaruit blijkt dat ondernemend talent in elke samenleving aanwezig is, maar dat instituties bepalen welke vormen ruimte krijgen: productief (innovatie in bedrijven, NGO’s of overheid), onproductief (zoals lobby) of destructief. De vraag is dus niet óf er ondernemend talent is, maar hoe wij dat als maatschappij en als onderwijs sturen.
Internationaal, grootschalig onderzoek (op basis van onder andere Global Entrepreneurship Monitor- en GLOBE-data) laat bovendien zien dat culturele en institutionele factoren invloed hebben op het type ondernemerschap en daarmee de verdeling tussen start-ups en intrapreneurship (ondernemerschap binnen bedrijven zelf). Uit de studie blijkt dat in culturen waar onzekerheid wordt vermeden, het ondernemerschapsniveau niet lager ligt. Wel vindt ondernemerschap daar vaker plaats binnen bestaande bedrijven dan via start-ups.
Wat als we alles in modellen gieten?
Een belangrijk deel van de keynote ging over de manier waarop we ondernemerschap onderwijzen. In veel opleidingen staan managementmodellen centraal: business model canvas, lean startup, design thinking, A/B-testing. Rigtering stelde daar een kritische vraag bij: creëren managementmodellen in het ondernemerschapsonderwijs ruimte voor ondernemend gedrag, of leggen zij juist kaders op die dit gedrag afremmen?
Uit internationaal onderzoek (onder meer op basis van GEM- en World Management Survey-data) blijkt dat in landen waar bestaande organisaties sterk leunen op lean-methodieken, het totale ondernemerschapsniveau lager ligt. Ook het intrapreneurship neemt daar af. Dat betekent niet dat lean ‘fout’ is. Het versnelt experimenteren en kan efficiëntie verhogen. Maar het verandert wél het type ondernemerschap dat ontstaat. Rigtering lichtte dat toe met een experiment binnen een organisatie. Medewerkers kregen de opdracht om met vernieuwende ideeën te komen. In de ene groep gaf het management duidelijke inspiratie mee: voorbeelden uit het verleden die als richtinggevend werden gepresenteerd. In de andere groep werd de opdracht volledig open gelaten. De open groep kwam met bijna 80% meer ideeën. De ideeën waren bovendien aanzienlijk vernieuwender. Belangrijke kanttekening: managers vonden die ideeën minder direct bruikbaar voor de bestaande organisatie.
Hoe nauwer een innovatiedoel wordt geformuleerd, hoe sterker mensen worden gestuurd in wat ze doen. Dat kan efficiënt zijn, maar het beperkt de ruimte om buiten bestaande kaders te denken.
Implicaties voor onderwijs
Rigtering vatte zijn boodschap voor het onderwijs samen in een duidelijke verschuiving. Niet de vraag of we voldoende ondernemende mensen opleiden staat centraal, maar welke vorm van ondernemend handelen ons onderwijs stimuleert. Dat vraagt om een beweging:
- van venture-creatie naar organiseren onder onzekerheid
- van vaste canvassen en modellen naar het ontwikkelen van beoordelingsvermogen
- van focus op individu of team naar collectieve processen
- van bedrijf, prototype en pitch naar beleidsvoorstellen, samenwerkingsmodellen en institutionele interventies
- van het opleiden van ondernemers naar het opleiden van mensen die in meerdere rollen ondernemend kunnen handelen
- van toetsing op output naar aandacht voor proceskwaliteit
- van ondernemerschap als waardevrije techniek naar moreel en politiek geladen handelen
Nu AI studenten helpt bij het produceren van teksten op hoog niveau, wordt het vermogen om te redeneren, af te wegen en verantwoordelijkheid te nemen alleen maar belangrijker.
Implicaties voor onderzoek
Ook voor onderzoek ziet Rigtering een duidelijke verschuiving. Het gaat niet alleen om beschrijven en begrijpen, maar steeds meer om actief bijdragen aan verandering en mede-ontwerpen. Dat betekent:
- meer ontwerpend, actie- en participatief onderzoek
- van interviews en observaties naar interventies, prototypes en experimenten
- meer procesgericht en longitudinaal onderzoek
- nauwere samenwerking tussen lectoraten (praktijkrijke interventies) en universiteiten (theoretische verdieping en generaliseerbaarheid)
Samenwerken over mbo–hbo–wo heen is volgens hem waardevol, maar complex. Het vraagt tijd, wederzijds begrip en de bereidheid om verschillende talen en perspectieven te verbinden.
Vervolg: ondernemerschap als hefboom voor brede ontwikkeling
Na de keynote volgden paperpresentaties waarin lopend onderzoek werd besproken binnen vier thema’s: ondernemerschapsonderwijs, regionale ontwikkeling en samenwerking, toekomstbestendig ondernemerschap en de missing entrepreneur. Tijdens de lunch was er ruimte voor ontmoeting en uitwisseling. Ook werd de Steven de Groot-prijs uitgereikt en het eerste exemplaar van het themanummer Vrouwelijk Ondernemerschap van HMR overhandigd.
In de middag kozen deelnemers uit verschillende workshops over de doorontwikkeling van ondernemerschapsonderwijs en -onderzoek, variërend van het versterken van een ondernemende mindset en het schrijven van onderwijscasuïstiek tot subsidieaanvragen en het businessmodel van het Windesheim Centrum voor Ondernemerschap.
De dag werd afgesloten met een praktijkcasus, waarin Joey Ophof reflecteerde op hoe zijn opleiding hem heeft voorbereid op de toekomstige overname van het familiebedrijf. Aansluitend was er gelegenheid om na te praten tijdens de borrel.
Vragen over dit nieuwsbericht?
Stel ze aan de Newsroom via newsroom@windesheim.nl(opent in nieuw tabblad)
Neem contact met ons op
-
Bereikbaarheid
Op werkdagen tussen 09.00 en 17.00 uur