"Ons doel? Een veilig en ondersteunend sportklimaat zodat kinderen met meer plezier sporten!"
“Trainers zijn belangrijk: zij zijn een belangrijke motivator voor kinderen om te blijven sporten,” vertelt Annemart Tielens, onderzoeker binnen het lectoraat Sportpedagogiek. “We hebben momenteel te maken met beweegarmoede: te weinig jongeren bewegen voldoende. Dat maakt het des te belangrijker om jongeren die wel bewegen dat ook blijvend te laten doen.” Ondanks dat de trainer een sleutelrol speelt voor jongeren en hun sportbeleving, er veel tools voor trainers zijn om zich te ontwikkelen, is het voor vrijwillige trainers lastig te kiezen welke tools voor hen van belang zijn. Het lectoraat Sportpedagogiek werkt hard aan het antwoord hierop. Inmiddels is het Jeugdsportkompas ontwikkeld als leidraad voor het creëren van de beste leeromgeving op de sportclub. Binnen dit kompas staan vier pijlers centraal die samen het pedagogisch sportklimaat bepalen: sociale veiligheid, motivatie, zorgzaamheid en ontwikkeling. Maar hoe meet je vervolgens hoe het staat met het pedagogisch handelen van trainers op een sportclub? Annemart legt de volgende stap uit: de verenigingsscan.
In het kort: pedagogisch sportklimaat?
“Mensen die bijvoorbeeld in het onderwijs of in de kinderopvang werken, moeten vaak aan allerlei eisen voldoen om te mogen werken met kinderen. Dit geldt niet voor de sportverenigingen: trainers zijn vaak vrijwilligers. Daardoor hebben deze trainers weinig begeleiding in hun trainerschap: er wordt minimaal feedback gegeven en ze hebben geen opleiding gedaan,” begint Annemart.
Er zijn weinig richtlijnen hoe je een training voor het kind goed inricht om zo te zorgen voor een pedagogisch verantwoorde situatie. En dat terwijl binnen de sport trainers essentieel zijn om kinderen in die omgeving te begeleiden. Het antwoord kwam van het lectoraat Sportpedagogiek: het Jeugdsportkompas. Geen nieuwe theorie, maar een samenhangend denkkader. Deze tool biedt een leidraad op zowel micro-, meso- als macroniveau om alles zo goed mogelijk in te richten. Alle drie de niveaus zijn om andere redenen belangrijk: zowel het landelijke beleid voor de sport in kwestie (macroniveau), als de vereniging (mesoniveau) en de training (microniveau) moeten in orde zijn. “Het Jeugdsportkompas is heel uitgebreid: het laat zien hoe je op de verschillende niveaus een klimaat creëert waarin een kind tot bloei komt,” zegt Annemart. Maar hoe wordt er geëvalueerd waar het goed gaat en waar nog verbeterd kan worden? “Kortgezegd maak ik het pedagogisch sportklimaat, gebaseerd op het Jeugdsportkompas, meetbaar op het mesoniveau (sportclub) en microniveau (trainers/coaches). Dit noemen we de verenigingsscan. Daarnaast worden de diverse tools en trainingen die al in de sportpraktijk aangeboden worden, geordend op basis van het Jeugdsportkompas en ontsloten via een Toolkit. Op deze manier kunnen clubs en trainers, nadat zij de scan hebben ingevuld, zich verder ‘op maat’ evalueren en verbeteren.”
De start van de verenigingsscan op microniveau (trainers en hun sporters)
“We zijn begonnen met een onderzoek naar: wat ligt er allemaal ‘onder’ het pedagogisch jeugdsportkompas? Welke theorieën zijn daarvoor gebruikt?” vertelt Annemart. Op grond van testen die onderdelen van de bestaande theorieën meten, zijn voor het microniveau vragen geselecteerd uit Engelsetalige tools en in het Nederlands vertaald. Daarna zijn ze aangepast naar de taal van de trainers en de sporters (doelgroep: 12-18-jarigen). “In een opzet, waarin de trainer de vraag beantwoordt, zijn de vragen opgesteld vanuit zijn of haar intentie bijvoorbeeld ‘ik geef de sporter complimenten’, en de sporter vanuit zijn of haar perceptie ‘mijn trainer geeft mij complimenten’. We hadden uiteindelijk 700 vragen, dat waren er veel te veel,” zegt Annemart. Daarom werden die eerst geëvalueerd en tot 150 teruggebracht door 2 collega’s van het lectoraat Sportpedagogiek. Daarna werden deze 150 vragen door experts uit wetenschap en praktijk beoordeeld volgens de Delphi-methode. Zo bleven 84 vragen over die volgens de experts goed waren, en goed pasten bij wat we willen meten. Met die vragen volgde de ‘cognitieve interviews’ waarin jongeren van 12-18 jaar, hardop praatten, terwijl ze de lijst invulden om de praktische uitvoering aan te scherpen.
De eerste stappen in het gebruik van de verenigingsscan door trainers en sporters
Inmiddels maken de eerste verenigingen gebruik van de verenigingsscan-microniveau. De eerste reacties zijn alvast positief. “Na het invullen van de sporters en de trainer wordt er een samenvatting gemaakt: wat gaat goed, wat is te verbeteren? Het is de bedoeling dat begeleiders van trainers (zoals kadercoaches) hier zelf met hen over in gesprek gaan. Ik voer dit proces als kadercoach nu zelf uit op mijn eigen club en voer dus ook de gesprekken met trainers. Dit is goed om te doen omdat ik op deze manier ook direct test of het systeem dat we hebben gemaakt werkt. Ik vind het leuk om te merken dat trainers inzicht krijgen in hun eigen handelen,” vertelt Annemart. “Door de vragen moeten ze ook kijken naar hun eigen handelen en dat is leerzaam. Daarnaast zie je ook dat niet alles wat de trainer denkt te doen, ook zo over komt op de jongeren. Dat geeft weer ruimte voor een nieuw leerproces.” Annemart besluit met een advies: “Er zou meer geld naar de sport moeten zodat er meer deskundigen zijn die binnen de clubs trainers kunnen begeleiden. Ik doe het nu binnen mijn vereniging, maar hier moet meer op ingezet worden. Deze trainers zijn bijna allemaal vrijwilligers, maar zij zijn essentieel. Zij verdienen ook de begeleiding die ze nodig hebben om hun taken gemotiveerd uit te voeren.”
Vragen over dit nieuwsbericht?
Stel ze aan de Newsroom via newsroom@windesheim.nl(opent in nieuw tabblad)
Neem contact met ons op
-
Bereikbaarheid
Op werkdagen tussen 09.00 en 17.00 uur