Studenten voor X

‘Instellingsregime blinden- en doveninstituten voedingsbodem voor psychisch en fysiek geweld’

Sinds 1945 kwamen in diverse instellingen van Jeugdzorg geweldincidenten voor. Ook in doven- en blindeninstituten, waar kinderen met een handicap extra kwetsbaar waren. Dit beeld komt naar voren in een van de deelonderzoeken van de Commissie Onderzoek Geweld in de Jeugdzorg.

Dorien Graas, Lector Jeugd van hogeschool Windesheim deed onderzoek naar de blootstelling van kinderen aan psychisch, fysiek en seksueel geweld in de doven- en blindeninstituten sinds 1945. Haar onderzoek is onderdeel van eindrapport van de Commissie Onderzoek Geweld in de Jeugdzorg. Ook wel aangeduid als Commissie De Winter. Dit rapport deed de afgelopen week veel stof opwaaien. Het rapport oordeelt dat kinderen na 1945 in de Jeugdzorg onvoldoende werden beschermd. 

Drie hoofdvragen

Dorien Graas: ‘De opdracht van de Commissie bestond uit drie hoofdvragen: Wat is er gebeurd? Hoe heeft het kunnen gebeuren en hoe hebben de slachtoffers het geweld ervaren? Kort gezegd kun je zeggen dat alle niveaus van geweld van toepassing waren en dat het instellingsregime in combinatie met de kwetsbaarheid van de kinderen een grote rol speelde. In de blinden- en doveninstituten die ik onderzocht waren kwetsbare kinderen blootgesteld aan een  instellingsregime waarin het regelmatig ontbrak aan aandacht en zorg. Wat ook een voedingsbodem kon zijn voor fysiek en emotioneel geweld. Het was schokkend om te constateren dat sommige begeleiders misbruik maakten van de handicap van de kinderen. Begeleiders die blinde kinderen naar de slaapzaal brachten, net deden of ze weggingen en zich vervolgens aan hen vergrepen.
Ze waren kwetsbaar omdat de ouders uit beeld waren, geen vertrouwenspersoon hadden en er in het algemeen weinig toezicht was. De kinderen die kampten met misbruik of geweld konden eenvoudigweg nergens naar toe. Het instellingsregime was catastrofaal voor deze kwetsbare kinderen.’

Boosheid, verdriet en machteloosheid

De vraag hoe de slachtoffers het geweld ervoeren, levert misschien wel de meest schrijnende antwoorden op. Dorien Graas: ‘In de gesprekken die ik heb gevoerd  komen verhalen naar voren waarin boosheid, verdriet en machteloosheid om voorrang strijden. Mensen zijn door hun ervaringen getraumatiseerd, zijn in therapie, hebben moeite met relaties  of worden niet voor vol aangezien. Ze zien bijvoorbeeld geen kans om hun talenten te ontplooien omdat ze zijn klein gehouden en  voelen zich vernederd. Zulke ervaringen dragen deze mensen hun hele leven met zich mee.’

Onafhankelijk vertrouwenspersoon

‘Gezamenlijk hebben de onderzoekers de situatie van de kinderen in kaart gebracht. ‘Onze taak als onderzoekers zit er nu op. Het is belangrijk dat er vanuit verschillende kanten meer toezicht komt en het vraagstuk wordt gevolgd door de Kinderombudsman,  maar ook dat de kinderen zelf terecht kunnen bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Een vertrouwenspersoon waar ze altijd terecht kunnen, op een laagdrempelige manier en die volledig buiten de zeggenschap van de instellingen kan opereren’, aldus Dorien Graas.

Dorien Graas, van origine historica, werd als Lector Jeugd van hogeschool Windesheim door de Commissie benaderd om te onderzoeken in hoeverre kinderen in de instituten voor doven en slechthorenden en voor blinden en slechtzienden  slachtoffer waren van geweld. Het onderzoek als geheel bestaat uit zeven deelonderzoeken. De bevindingen van de lector Jeugd vormen onderdeel van de conclusies in het eindrapport “Onvoldoende beschermd, geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden”.

Meer informatie over het eindrapport van de Commissie-de Winter is hier te vinden