Studenten en docenten op lezing over sporten met vluchtelingen

Taal is een belangrijk inclusiemiddel voor nieuwkomers. Maar ook sport is een kansrijk integratie-instrument, juist omdat woorden overbodig zijn.

Twee studenten Psychomotorische Therapie en Bewegingsagogie reisden met twee van hun docenten op 20 april af naar Haarlem om een bijdrage te leveren aan de lezingenreeks ‘Kracht van sport in de wijk’. Op het toppunt van de vluchtelingencrisis opende Zwolle namelijk de deuren van de IJsselhallen voor 700 gevluchte mannen en startte de studie vanuit de aan haar verbonden leer-werkplaats, het Ambulatorium, met een project dat ertoe leidde dat een deel van hen, begeleid door docenten en studenten, op de Campus kon sporten.

Alle sprekers op het podiumJe welkom voelen door sportdeelname?

Hierdoor heeft de opleiding − die zich richt op het begeleiden en behandelen van mensen met een (hulp)vraag door het beïnvloeden van bewegingsgedrag en lichaamsbeleving − veel ervaring opgedaan met de vraag hoe sport en bewegen een rol kunnen spelen bij de problematiek waarmee veel vluchtelingen kampen. Vandaar dat docenten Pim Hoek en Pauline Fellinger samen met onze studenten Sander Andeweg en Yannick Hekman in Haarlem werden uitgenodigd. Tijdens een lezingenreeks die jaarlijks wordt verzorgd door het lectoraat Kracht van Sport (Inholland & HvA) en het lectoraat Topsport en Onderwijs (HvA & UvA) gaven zij hun visie op de vraag of vluchtelingen zich eerder welkom voelen door sportdeelname: het vraagstuk dat op de lezing van 20 april centraal stond.

Sporten op de Campus

Frank van Eekeren, docent sportbeleid en -management bij de Universiteit Utrecht, opende de lezing en benadrukte dat sport nooit dé oplossing kan zijn, maar wel bijdraagt aan het leggen van eerste contacten. Hierna was het woord aan Pim Hoek, kwartiermaker Ambulatorium en docent psychomotorische therapie, die sprak over de waarde van bewegen met vluchtelingen en migranten. In zijn lezing ging hij nader in op het aanbod dat vanuit het Ambulatorium wordt gecreëerd rondom beweegprojecten voor vluchtelingen, de verschillende succesfactoren én wat er nodig is om bewegen als waardevol middel in te kunnen zetten ter ondersteuning van vluchtelingen die (veelal) psychisch kwetsbaar zijn en veel hebben meegemaakt.

Sander: “Ik laat ze eerst doen wat ze zelf willen”

Vanuit het project ontstonden nieuwe initiatieven en ook het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) klopte bij de opleiding aan met de vraag of men wilde meewerken aan het onderzoek ‘Opvang in Beweging’. Vandaar dat de studenten zich in toenemende mate richten op de vraag wat zij vanuit hun vakgebied voor deze doelgroep kunnen betekenen. Bijvoorbeeld Sander, die stage loopt bij een internationale schakelklas, maar hun aandacht niet goed kon vasthouden: “Ze hielden allemaal van een balletje trappen, dus elke keer begon ik met 20 minuten voetbal. Alle frustratie konden ze hierin voor een ogenblik kwijt, waardoor er ruimte ontstond om aan de slag te gaan met vaardigheden rondom samenwerken."

Yannick: “Sport verbindt en dat is het mooie”

Ook Yannick, die vanuit zijn stage werkt met statushouders, beaamt dat sport veel ruimte biedt voor het ventileren van frustraties en onderhuidse spanningen. Hij sport één keer per week met mannelijke statushouders en vertelt hoe hij van één deelnemer te horen kreeg dat sporten voor hem een uitlaatklep was: “Alles even vergeten, met elkaar sporten, soortgelijken vinden en competitief zijn, maar toch ook doen en laten wat eigenlijk op dat moment kan, ze moeten al zo veel en op dat moment mogen ze sporten én het sporten verbindt”, zo legt Yannick de meerwaarde van sportactiviteiten voor statushouders in zijn eigen woorden uit.

Een kansrijk middel

Pauline begeleidt studenten in hun contacten met vluchtelingen en statushouders en werd gevraagd haar reflectie te geven op de gegeven presentaties. Zelf beschouwt ze bewegen en aandacht voor je lichaam als een kansrijk middel: “Het heeft weinig taal nodig. Voor een potje voetbal op de camping kunnen mijn kinderen ook met alle landen meespelen en dan maakt het niet uit dat mijn zoontje van acht geen Frans kan: hij kan wel voetballen in het Frans bij wijze van spreken. Anders dan tegenover elkaar aan tafel zitten praten − zeker als je de taal nog niet machtig bent − is samen iets doen wat via het lijf binnenkomt, zoals bewegen, heel kansrijk.”

Benieuwd naar de lezing? Hier kun je de lezing van 20 april terugkijken.