Kind die op het toetsenbord drukt op een computerscherm

Over D21

Het lectoraat Didactiek en Inhoud van de Kunstvakken richtte zich op onderzoek naar verankering van cultuuronderwijs. Een van de projecten was D21.

Vanuit het project D21 werd onderzoek uitgevoerd naar de huidige stand van zaken van cultuureducatie in het primair onderwijs. D21 bestond uit ontwerpgericht onderzoek naar 21e-eeuwse vaardigheden in het primair onderwijs en de rol die cultuureducatie speelt bij het ontwikkelen daarvan, met als centrale vraag: hoe kan cultuureducatie deze vaardigheden stimuleren? D21 sloot aan bij het programma Cultuureducatie met Kwaliteit 2013 - 2016 (OCW) dat tot doel heeft de kwaliteit van cultuureducatie in het basisonderwijs te verankeren.

Fase 2

In fase twee van het D21-onderzoek werden ruim 700 van de 6.500 basisscholen in Nederland gevraagd mee te werken aan een survey. Aan de hand van een gesloten vragenlijst werden vragen gesteld over onder meer schoolkenmerken, 21e-eeuwse vaardigheden en kunst- en cultuureducatie in het primair onderwijs.

21e-eeuwse vaardigheden

De 21e-eeuwse vaardigheden zijn een samenhangend geheel van vaardigheden die nodig zijn om goed te functioneren in de 21e eeuw. Deze acht vaardigheden zijn: creativiteit, kritisch denken, probleemoplossende vaardigheden, communicatie, samenwerken, digitale geletterdheid en sociale en culturele vaardigheden. Onderwijs speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen ervan en cultuureducatie levert daar een bijdrage aan.

Onderzoeksvragen

  • In hoeverre sluiten betrokken schoolvisies aan bij hedendaagse en toekomstige maatschappelijke vragen?
  • Op welke wijze komen expliciet 21e-eeuwse vaardigheden terug in het concrete onderwijsaanbod van de betrokken scholen in inhoudelijke, organisatorische en financiële zin?
  • Op welke manier wordt cultuureducatie aantoonbaar, binnen of buiten de bestaande vakkenstructuur, ingezet bij de vorming van kinderen tot volwassen die beschikken over 21e-eeuwse vaardigheden?

Doelgroepen

We onderscheidden vier doelgroepen in dit onderzoek:

  1. Het kind in het basisonderwijs, dat uiteindelijk gebaat moet zijn bij het onderwijs 
  2. De leraar die meebepaalt hoe de school wordt ingericht en wat de plaats van cultuureducatie daarin is 
  3. Student van de lerarenopleiding die in de toekomst het basisonderwijs bepaalt en inzicht moet hebben in het belang van cultuureducatie 
  4. De lerarenopleider die de student opleidt en zich af dient te vragen wat het belang is van cultuureducatie

Projectfasen

Het onderzoek kende vier opeenvolgende fasen.

Fase 1: Literatuurstudie

Het onderzoek startte met een literatuurstudie naar cultuureducatie, de 21e-eeuwse vaardigheden en schooltypologie. Het doel ervan was het beschrijven van de actuele stand van zaken rondom deze begrippen en het vaststellen van de definiëring van de begrippen voor het onderzoek. Aan de hand van de beschrijving en definiëring werden instrumenten ontwikkeld voor het kwantitatieve en het kwalitatieve onderzoek. De literatuurstudie werd gedurende de 2 jaar van het onderzoek bijgewerkt en geactualiseerd.

Onderstaande publicatie werd gepubliceerd als extern onderdeel van de literatuurstudie:

- Leerplan voor onderwijs in beeldende kunst en vormgeving, Vonkc, Vereniging voor Onderwijs Kunst en Cultuur, maart 2012

Te downloaden via de website van VONKC of de website van Maarten Tamsma, samen met Gerrit Dinsbach eindredacteur van het leerplan.

Fase 2: Kwantitatief survey-onderzoek

Dit onderzoek heeft plaatsgevonden onder ruim 700 van de 6.500 Nederlandse basisscholen. Door middel van een survey werden vragen gesteld over schoolkenmerken, 21e-eeuwse vaardigheden en cultuureducatie. De uitkomsten geven een voorlopig antwoord op de vraag in hoeverre en op welke wijze cultuureducatie een rol speelt in het onderwijs in het algemeen en bij het ontwikkelen van 21e-eeuwse vaardigheden in het bijzonder. 

Fase 3: Kwalitatief onderzoek

Op tien basisscholen (good practices) onderzochten we met behulp van een sterkte-zwakteanalyse in hoeverre en op welke wijze cultuureducatie een rol speelt bij het ontwikkelen van 21e-eeuwse vaardigheden bij de leerlingen. Op basis hiervan wilden we een duidelijker beeld krijgen hoe en waarom het mechanisme van een optimale 21e-eeuwse school met aandacht voor cultuureducatie werkt. De onderzoeksgegevens werden online gepresenteerd ten behoeve van de onderwijsketen. De informatieve website beoogde bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van het onderzoek. Het online materiaal van het onderzoek kon al tussentijds worden gebruikt als studiemateriaal.

Fase 4: Kwalitatieve analyse

In deze fase werden de uitkomsten van het evaluatieve onderzoek uit fase 2 en de inzichten uit de studie van de good practices (fase 3) geanalyseerd. Dit resulteerde in een ontwerpgericht advies aan basisscholen en lerarenopleidingen basisonderwijs over de wijze waarop cultuureducatie succesvol kan worden ingezet.

Projectmonitoring en -evaluatie

Vanuit een projectmonitoring- en projectevaluatiecyclus (PME) werd verslag uitgebracht aan experts van hogescholen en universiteiten ter bewaking en begeleiding van de (praktijk)wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek. De PME-bijeenkomsten (expertmeetings) vonden plaats in iedere fase en werden in ieder geval bijgewoond door de wetenschappelijke raad, bestaande uit twee hoogleraren en twee lectoren, te weten prof. dr. Harry Kunneman, dr. Adriaan Bekman, dr. Daan Andriessen en prof. dr. Gert Biesta.

Slotmanifestatie

Het onderzoeksproject werd op 23 maart 2016 afgerond met een slotmanifestatie voor alle basisscholen, pabo’s en andere belanghebbenden binnen de educatieve kunst- en cultuursector. De resultaten werden gedeeld en het advies en vervolgonderzoek werden tijdens deze dag gepresenteerd. 

Vervolgonderzoek

De resultaten vormen wellicht een aanzet tot vervolgonderzoek waarin 21e-eeuws re-design van basisscholen en de Pabo centraal staat, met uiteraard een specifieke rol voor kunst- en cultuureducatie.